Gedurfde uitvoering van Hosanna
Voor de pauze stond de Grote Mis in C van W.A. Mozart op het programma. Een gewaagde keuze en daarmee voor het koor een grote uitdaging. Je kon horen dat er door Hosanna keihard gewerkt is aan dit werk. En niet zonder resultaat. Voor een amateurvereniging werd een knappe prestatie neergezet. Het ‘Kyrie' werd goed gebracht. Ondanks de verschillende inzetten had het koor één klank en werd de lading/emotie van het gebed (‘Heer, ontferm U') goed vertolkt. Ook de diverse moeilijke sprongen in de sopranen gingen goed. Clara de Vries (sopraan) klonk prachtig in het ‘Christe eleison'. Wat ze soms aan klank verloor in de laagte, maakte ze in de hoogte zeker goed.
In het moeilijke ‘Gloria' kregen de zorgen een beetje de overhand. Het koor verloor de (moeilijke) lange lijnen soms uit het oog en er werd hierdoor af en toe van noot tot noot gezongen. Tijdens het ‘in terra pax' liepen de partijen soms iets uit elkaar maar dit werd goed hersteld. Onder de zekere en strakke leiding van Kotterink bleef het tempo in de diverse delen goed bewaard. Het orkest kwam hier goed in mee en hield de vaart er lekker in. Het ‘Domine' voor sopraan en altsolo kwam gaandeweg beter op gang. Later in het duet kwamen ze echt samen en zongen ze niet meer ieder hun eigen partij. Tijdens het moeilijke ‘Qui tollis' werd het koor gesplitst. Zeker voor de kleinere stemgroepen, zoals de tenoren, was dit een zware opgave. Een moeilijke partij te moeten zingen en dan ook nog met de helft minder mensen per partij, misschien was dit iets te hoog gegrepen voor Hosanna. Vooral bij de diverse inzetten nam de onzekerheid toe. Bij het ‘Jesu Christe' kon men weer genieten van de volle en zekere koorklank die men van Hosanna gewend is. Ook de diverse inzetten tijdens het ‘Cum Sancto' gingen goed. Dat de Grote Mis in C van Mozart geen makkelijk werk is was af en toe ook bij de solisten te merken. Tijdens de, ontzettend zware, sopraansolo ‘Et incarnatus est' verloor Clara de Vries af en toe de mooie klank die ze in andere delen wel had.
Ook het ‘Sanctus' was weer dubbelkorig. Vooral in de zachte gedeelten had het koor het moeilijk. Kotterink ging het gevaar niet uit de weg en koos voor het ‘Osanna in excelsis' een pittig tempo. Het orkest had de vaart er goed in en door de duidelijke leiding van Kotterink kwam ook het koor mee in dit tempo. Na het ‘Benedictus' door het solokwartet kwam dit gedeelte weer terug. Het koor zong lekker en genoot zichtbaar én hoorbaar van dit mooie eind. Hoewel ik me op sommige plekken afvroeg of dit werk voor Hosanna niet te hoog gegrepen was, blijf ik van mening dat het koor een geweldig knappe prestatie heeft neergezet. Hun werk is niet voor niets geweest!
Puccini
Na de pauze was de beurt aan het Messa di Gloria van G. Puccini. Het koor stond er zekerder en standvastiger bij, het lekkere zingen kon beginnen. Na een prachtige inleiding in het ‘Kyrie' van het orkest zette het koor goed in. Af en toe misten ze de sierlijkheid van het orkest, maar over het algemeen werd dit deel mooi gezongen. Het ‘Gloria in excelsis Deo' werd mooi licht en fris ingezet door de sopranen en alten. Ook de tenoren en bassen namen dit enthousiast over. Het hele gedeelte straalde een groot enthousiasme en positivisme uit. Ook na de mooie tenorsolo door Robbert Overpelt, werd dit gedeelte weer overtuigend ingezet. Het unisono gedeelte ‘Qui tollis peccata' werd prachtig gezongen door het koor. Zowel koor als publiek genoot van dit mooie gedeelte. Vervolg van pagina 1 In ‘Quoniam tu solus' werd Hosanna even alleen begeleid door het koper van het Promenade Orkest. Dit mengde prachtig met de koorklank. Bij het ‘Cum Sancto Spiritu' zetten de bassen iets te enthousiast in waardoor ze niet altijd een gelijke groep vormden. Deze eenheid was er wel in het hele koor tijdens het unisono gedeelte ‘Credo in unum Deum'. ‘Et incarnatus est' werd, zowel door de tenor als door het koor, met eerbied gezongen. Het ‘Crucifixus' werd mooi gezongen door de bassen. Ze hadden de goede beweging en de rust die ze eerder misten. De hele groep klonk als één solist. Tijdens de sterkere delen van het werk was er een goede samenwerking tussen koor en orkest. Ze vulden elkaar goed aan en af en toe leken ze samen één instrument te worden. Robbert Overpelt (tenor) zette prachtig, licht in tijdens het ‘Agnus Dei'. Dit werd mooi overgenomen door Hans de Vries (bas). Ook het orkest had hier de goede beweging en het duet van tenor en bas klonk mooi. Het koor had af en toe nog moeite met de wat zachte, lichtere gedeeltes, maar het laatste ‘Dona Nobis Pacem' klonk mooi. Dit gebed om vrede werd rustig en bedeesd gezongen. Een mooi einde van een feestelijk stuk, waar koor en zeker ook publiek van genoten hebben. (MD)
